Onvoorstelbaar hoe snel een leven kan kantelen. Hoe één woord, in dit geval ‘hersentumor’ alles wat vanzelfsprekend was plots zomaar in een grijze waas zet.
Eind april kreeg W. die ferme diagnose. Een klap in mijn gezicht, een mokerslag in het zijne.
Inmiddels werd hij geopereerd en herstelt hij vrij goed. Het ding bleek een vuist groot, en is er grotendeels uit. Om het stukje dat er wel nog zit ook uit de wereld te helpen start hij binnenkort met de eerste van 30 bestralingen en dan volgt er nog eens een chemopillen-kuur ook. Brr en grr.
Sindsdien is alles anders. Hij is veranderd. Ik hoor het niet, maar ik voel het. Zelf omschrijft hij zichzelf als ‘afgevlakt met geen hoogtes en geen laagtes’. En dat is nu net alles wat hij voordien niet was. Storm in zijn hoofd, in zijn lichaam, in zijn dagen en in zijn nachten. En ergens aan de rand van die storm, in de schaduw, zit ik.
Ik mis hem, wie hij was en wie we samen waren. Het voelt egoïstisch om dat te zeggen, bijna ongepast zelfs. Alsof ik een plek opeis in zijn chaos, terwijl hij alle energie nodig heeft om te overleven, letterlijk. Maar tegelijk voel ik wat ik voel: rauw gemis en een superluide stilte. Ik mis vooral zijn aanwezigheid in mijn leven, zijn rust, zijn typische berichtjes en zijn onverwachte aandacht. Hoe hij me instant aanvoelde, en er gewoon altijd was. Een soort warme jas die ik kon aantrekken als de wereld te koud werd.
Het klinkt ontzettend ondankbaar, ik weet het. En ik vind het vreselijk van mezelf maar emoties luisteren niet naar redelijkheid. Ze volgen geen rangorde van wie het het zwaarste heeft. Verdriet is geen competitie. Dus ja, ik voel me schuldig maar ik voel het wel.
Vriendschap verandert. Soms groeit ze, soms verwatert ze, en soms wordt ze abrupt doormidden gescheurd door dingen waar niemand controle over heeft. En dat is wat er nu gebeurt. Daar sta je dan, met herinneringen, met nood aan contact en niemand die je uitlegt hoe je daarmee moet omgaan. Ik vind het moeilijk om ruimte te maken voor verdriet als het niet om verlies van leven gaat, maar om verlies van verbinding. Toch is het ook rouw, in zeker zin. Rouw om het soort afstand dat stil en onuitgesproken groeit tussen 2 mensen die voordien heel dicht bij elkaar stonden
Soms vraag ik me af of hij me ook mist. Of hij ergens diep vanbinnen weet dat we minder praten en minder delen. Maar tegelijk hoop ik dat hij gewoon opgeslorpt wordt door zijn strijd zodat die vraag geen ruimte krijgt.
Boven alles hoop ik vooral dat hij terugkomt. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal en emotioneel. Dat hij opnieuw ruimte voelt voor contact, voor vriendjes zijn. Misschien zal het anders zijn en nooit meer worden zoals vroeger. Misschien wordt het een soort nieuwe vorm van nabijheid.
Tot dan wacht ik in stilte en hou ik vol omdat hij dat ook doet. En omdat connectie en vriendschap niet alleen bestaat in de momenten waarop het makkeijk is. Maar vooral in de momenten waarop je elkaar vasthoudt, zelfs als dat even alleen nog maar in gedachten kan.





reageer